Een vlijmscherpe en lucide romanticus

Warhol vond hij een stomkop en het werk van Hirst waardeloos. Robert Hughes was een onverschrokken criticus met een gespierde schrijfstijl.

‘Is het niet opmerkelijk waar zo veel geld en zo weinig talent toe kunnen leiden?’, vroeg Robert Hughes zich in zijn documentaire The Mona Lisa Curse af. ‘Als ik naar zoiets als dit kijk, realiseer ik me weer dat veel kunst – godzijdank niet alle, maar wel een hele hoop – voornamelijk wordt gebruikt om de reputatie van de rijken en beroemden te verbeteren.’

De gisteren op 74-jarige leeftijd in New York overleden kunstcriticus Robert Hughes liet er geen misverstanden over bestaan: The Virgin Mother van Damien Hirst, want over dat werk ging het, was waardeloos. En de verzamelaar die het uitvergrote, anatomische beeld van Hirst voor veel geld had aangekocht, Alberto Mugrabi, niet goed bij zijn hoofd.

Harde woorden, een vlijmscherp oordeel en breeduit zittend op zijn gelijk. Het typeerde Hughes, geboren en getogen in Australië, maar als criticus groot geworden bij Time Magazine in de Verenigde Staten. Hij stak zijn mening nooit onder stoelen of banken.

Een ander slachtoffer was Andy Warhol, van wie de familie Mugrabi zo’n 800 werken bezit. Warhol was een van de stomste mensen die Hughes ooit had ontmoet. ‘Hij had werkelijk niks te zeggen.’ Dat Warhol daarmee zijn eigen imago bevestigde, en dus de mythe in stand hield, leek Hughes over het hoofd te zien.

Massaconsumptie, geld, imago en commercie, dat is waar Hughes Warhol mee associeerde. Precies waar kunst nou niet over zou moeten gaan. Tot zijn afgrijzen zag Hughes hoe zijn woonplaats New York sinds zijn komst, in het begin van de jaren zeventig, in de daarop volgende decennia veranderde in een hedonistische, decadente mierenhoop.

Kunst werd een business investment. Yuppen verdreven de kunstenaars uit hun ateliers, prijzen schoten omhoog. De entertainmentindustrie transformeerde de kunstwereld in een filmset en maakte van de kunstenaar een filmster.

Het was Hughes, romanticus in hart en nieren, een doorn in het oog. In zijn documentaires The Mona Lisa Curse (2008) en The New Shock of the New (2004, een vervolg op The Shock of the New, uit 1980), en talloze recensies en boeken, waarin Hughes de kunst van de 20ste eeuw onder de loep nam, liet hij zijn ongenoegen duidelijk blijken.

Heimelijk, maar tussen de regels door ondubbelzinnig, leek hij terug te verlangen naar vroeger. Goya, Van Gogh, Picasso, Pollock, dat waren zijn helden. Kunstenaars die, hoe vernieuwend ook, inzichtelijk en verifieerbaar werk maakten. Schilderijen die geen oeverloos geleuter nodig hadden om het gebrek aan ambachtelijkheid goed te praten.

Heimwee moet hij ook altijd hebben gehad naar het begin van de jaren zeventig, toen hij door kunstenaar Robert Rauschenberg werd geïntroduceerd in de New Yorkse kunstscene en als criticus begon bij Time Magazine. Rauschenbergs dood in 2008 betekende voor Hughes niet alleen de dood van een goede vriend, maar ook ‘de dood’ van de kunstwereld waarvan hij zo hield. Het was het einde van een tijdperk. Een tijdperk waarin Hughes opkwam en naam maakte met een gespierde, lucide schrijfstijl.

Als criticus was Hughes onverschrokken, zijn pen leek altijd geslepen. Hij kon vernietigend uithalen, zoals Julian Schnabel merkte, wiens werk Hughes in een artikel voor The New Republic vergeleek met de acteerprestaties van Sylvester Stallone: veel spieren, maar weinig inhoud.

Intelligentie, geen goedkoop succes, maar beloning naar noeste arbeid, daar ging het Hughes om. Zelf stak Hughes zijn handen ook graag uit de mouwen. Zijn grootste passies naast de kunst: meubels opknappen, tuinieren en vissen. Over die laatste hobby schreef hij in 1999 nog het vermakelijke boek, A Jerk on One End: Reflections of a Mediocre Fisherman, waarin hij zijn ervaringen als hobbyvisser uit de doeken doet.

Bovenstaand artikel verscheen eerder – in ietwat gewijzigde vorm – in De Volkskrant.
www.volkskrant.nl

Comments are closed.

Print Friendly, PDF & Email